Mijn moeders kleine flat staat vol huisraad en tierelantijntjes en toch voel ik leegte. Geen verse bloemen op tafel en vooral geen moeder die de vertrekken vult met een nadrukkelijke aanwezigheid. Wezenloos loop ik naar de kleinste slaapkamer die zij nog steeds ‘Barts kamer’ noemt. De meubels in wit en mosgroen staan veel te dicht bij elkaar op een plek waar mijn overleden broer, Bart, nooit is geweest.
Ik ga op het bed zitten. In de donkerbruine handgemaakte bedsprei ontstaan golfjes die mijn moeder meteen zou gladstrijken, mocht ze er zijn. Aan de muur prijkt een geplastificeerd stadsplan van Londen dat ik er ooit heb opgehangen als herinnering aan een onvergetelijke schoolreis. Alsof de tijd is blijven stilstaan hangen twee miniatuuraapjes al een eeuwigheid op dezelfde hoogte aan het groene koord waarmee ik destijds het licht aanstak. Op het hoofdeinde van het bed rust een knuffel van meer dan een halve eeuw oud. Grijs door te veel daglicht. Uit zijn voorpootjes steekt roestig ijzerdraad. Zijn metaalkleurige ogen zijn dof, zijn manen stug. Herstelwerk dringt zich op. Maar hij is er nog en verdraagt een tedere aai. Naast hem ligt een jongere pluchen hond met lange oren en grote bruine ogen die me herinnert aan de eerste keer dat de dood mij meedogenloos bij de keel greep. Ik was zeven.
***
Met mijn knuffel tegen mijn borst geklemd open ik voorzichtig de kamerdeur en sluip de trap af. De rode wollen loper kriebelt mijn kleine blote voeten bij elke stap. De septemberkilte in de hal beneden verrast me. Ik trek mijn kamerjas strakker dicht en ga binnen in mijn kleine paradijs. Ik snuif de zachte geuren op en geef mijn ogen gulzig de kost. Het fruit glanst in al zijn vormen alsof het blij is mij te zien. Alleen de rammenassen negeer ik, want mijn vader haalt er veel te dikwijls flauwe grapjes mee uit. Hij legt dan een groot exemplaar op zijn arm, de dikke wortelkant in zijn tot een kommetje gevouwen hand. Als een toneelspeler draait hij zich naar me toe en streelt de spitse neus als was het de snuit van een rat. Plots klapt hij zijn hand dicht. Het ding springt naar me toe, ik schrik en deins achteruit. Iedereen lacht en niemand ziet wat dit echt met mij doet.
Sluipend langs de rekken lees ik de namen van de producten hardop, als voor een oefening in de klas. Het vlot prima. Dankzij mijn broer kan ik beter lezen dan de andere leerlingen uit het tweede leerjaar. “Je moet altijd een stapje voor zijn”, zegt hij vaak. Bart is dertien en slim, maar op zondagen slaapt hij tot laat in de ochtend en dat haat ik. Ik klim dapper op de hoge stoel achter de kassa en kijk naar de in ochtendnevel gehulde straat. Een oude man in een bleke regenjas komt voorbij terwijl een kleine auto langzaam wegglijdt uit de parkeerplaats bij de bakker aan de overkant. Ik sla er weinig acht op, grabbel een reep chocolade uit het rek en loop naar de woonkamer waar Jommeke vast al op me wacht.
Ik open de deur met een zwaai, kijk naar de vogelkooi, maar zie onze kleine kanarie niet. Wat raar, denk ik en sluip voorzichtig dichterbij. Enkele ogenblikken later kijk ik naar wat overblijft van het kleine citroengele vogeltje en begin onbedaarlijk te huilen. Een zielig hoopje bebloede pluimen ligt op de bodem van de gehavende kooi als was het een smakeloos werk uit een museum voor actuele kunst. Plotseling voelt de ruimte erg winters aan. Ik kruip in de zetel en trek het wollen dekentje dat er ligt ver over mij heen. Ik zuig mijn onderlip naar binnen en verroer niet meer tot mijn moeder me eindelijk vindt. Het lijkt ellendig lang. Ze troost me, zet me voor de televisie en ruimt de plaats van de misdaad haastig op. ‘Je broer mag dit niet zien’, fluistert ze. Ze gaat liefdevol met haar hand door mijn haar en vertrekt naar de winkel om de eerste zondagse klanten te ontvangen. Ik kijk haar na tot ze uit het zicht verdwenen is, gooi het dekentje van me af en glip naar boven.
Mijn broer slaapt een verdieping hoger dan ik, in een heel grote kamer die enkele jaren later van mij zal zijn. De deur staat op een kier. De oranje fluwelen fauteuil die in de jaren vijftig fel in de mode was, contrasteert met het wit en mosgroen van de kasten tegen de muur.
‘Broer’, fluister ik.
Het blijft muisstil. Bedachtzaam schuifel ik tot aan zijn bed. Ik friemel aan de donkerbruine handgemaakte bedsprei en zeg met meer force: ‘Jommeke is dood!’
Bart draait zich naar me toe en knijpt zijn ogen dicht om het daglicht nog even buiten te houden.
‘Wat?’
‘Jommeke is dood!’, herhaal ik.
‘Hoe kan dat nu?’
(…)
‘Dat weet ik niet.’
(…)
‘Mag ik bij je in bed?’
Het mag. Uitzonderlijk.
Ik vlij me naast hem en klem zijn knie tussen mijn armen. Aan het voeteneinde ligt een stoffen ezel die ons treurig aankijkt.
Ik pulk aan de onderste knoop van mijn pyjamajas en vraag stil: ‘Is Jommeke nu bij God?’
‘God bestaat niet. Dat leer je later nog wel. Jommeke vliegt nu vast hoog in de lucht, daar waar een vogel moet zijn.’
Het beeld van de dode kanarie nestelde zich op mijn netvlies om er een leven lang te blijven.
***
En nu, bijna vijftig jaar later, is mijn moeder een kwetsbaar vogeltje, in een kooitje dat kamer 115 heet. Een lamme vleugel, een gehavende voet en troebele ogen veranderden haar in een half jaar tijd van een praatgrage courageuse dame in een troosteloos mijmerende vrouw die elk moment lijkt te zullen breken.
De deur staat halfopen. Ze zit zoals gewoonlijk aan het raam met haar voeten op een ouderwets schommelbankje dat door een onbekende voorganger werd achtergelaten. Ze slaapt met haar delicate handen in haar schoot gevouwen en haar hoofd lichtjes schuin. Hoewel de tijd haar gezicht vanzelfsprekend niet gespaard heeft, is haar schoonheid nog opvallend aanwezig.
Op een paar planten en wat foto’s na is de kamer kaal en ongezellig. Geen van ons twee wil immers dat dit haar thuis wordt. Nu nog niet. Als ze zich redelijk voelt, zegt ze dat ik de ramen van haar flat moet lappen en geraniums moet planten in de potten op het terras. Ja, zeg ik. Neen, denk ik, ik moet vooral knopen doorhakken en hard zijn, maar ik kan het niet. Nog niet.
Haar kamer bevindt zich aan de zijkant van het gebouw. Links kijkt ze uit op een kippenren en tuintjes van een handvol kleine huizen die ook ik nog nooit van deze kant heb bekeken. Het schept een ongewone band met de bewoners wier levens ik niet ken. Rechts kijkt ze uit op de spoorlijn die de kust met het binnenland verbindt. Voor haar niet meer dan een lijn van verdriet. De sociaal assistente had mij verkeerd begrepen. Bij voorkeur geen kamer met uitzicht op de spoorweg, had ik gezegd. Ik had haar ook uitgelegd waarom. Soms maakt één luttele letter een pijnlijk verschil. Intussen is de zetel verplaatst zodat ze uitkijkt op de tuintjes. Omdat de kamer niet zo is geconcipieerd, hangt de televisie nu achter haar en schuift de zonwering naar de verkeerde kant zodat de zetel deels verstopt staat achter de verzamelde lamellen. Nog niet eens zo lang geleden zouden we gniffelend geopperd hebben dat de hele toestand toch wel “verdraaid verdraaid” is, maar nu lijkt die ludieke spitsvondigheid niet meer dan een verre herinnering.
Ik leg mijn hand op haar bovenarm en knijp voorzichtig. Het duurt een paar tellen voor ze op de wereld is. Ze kijkt me broos aan en vraagt hoe laat het is.
‘Kwart voor twee.’
(…)
‘Ik moet naar het toilet.’
‘Ik help je wel.’
“Nee, ik heb liever dat ze dat ding gebruiken.”
Met een knikje van haar kin wijst ze naar de gang waar de tillift staat.
Ik gluur naar de krant die kopt dat de aarde barst en bedenk hoe klein haar wereld geworden is.
Twee jonge medewerkers komen de kamer binnen.
‘Je hebt gebeld?’ zegt een van hen.
Ik voel een aarzeling en kijk vragend op.
‘Euh, hoe heet ze ook alweer?’, klinkt het.
‘Marie-Jeanne.’, zeg ik zacht, terwijl ik denk dat ze het intussen wel zou mogen weten of dat ze misschien de moeite zou kunnen doen even op de deur te kijken voor ze binnenkomt.
Even later zit ze weer in de zetel. Ik zoek passende woorden om de akelige stilte te vullen en verval in clichés.
‘Heb je lekker gegeten vanmiddag?’
‘Bwa, het smaakt me steeds minder.’
‘Lukte het bij de kinesist?’
(…)
‘Het hoeft gewoon niet meer. Ik ben iedereen tot last.’
(…)
‘We zullen er toch het beste van moeten maken’, zeg ik terwijl ik uit mijn stoel kom.
Ik ontwijk haar mogelijke reactie door op te ruimen. Ik schik de spullen op haar tafeltje, zet rolstoel en rollator tegen de muur, trek een dag van de kalender en schenk een vers glas water in. Sinds een paar weken mijn bijna dagelijkse ritueel. Steeds meer deel ik haar vertwijfeling. Toch probeer ik haar moed in te spreken door te wijzen op de zomer die in aantocht is, de mogelijkheid om uitstapjes te doen, samen op restaurant te gaan.
Ze knikt afwezig en vraagt wat ik ga doen met de meubels van Barts kamer wanneer ze er niet meer zal zijn. Ik sla mijn blik neer en zwijg. Als het graf van mijn broer.
***
Op mijn zeventiende sta ik samen met een handvol familie en vrienden op het kerkhof. Mijn ouders zijn elkaar al een tijd geleden kwijt geraakt en nu zijn ze ook een zoon verloren. Ze raken elkaars verdriet niet aan.
In onze werelden is een orkaan voorbij geraasd, maar nu is het duizelingwekkend stil. Ik vraag aan niemand of mijn broer bij God is, want dat is onzin. Dat heeft hij mij geleerd. Zwijgend speur ik de grijze herfstlucht af, op zoek naar een vogel die me mee wil voeren in zijn vrije vlucht.