Ik struikel over een hondje dat het trottoir verspert. Het kroezige beest lijkt op de poedel uit mijn jeugd, maar helaas, hij hoort bij de zwerver die in een portaal zijn roes uitslaapt. Ik heb geen tijd voor mededogen. Mijn moeder wacht niet graag en zeker al niet op een dag als vandaag. Tijdsgebrek is ook het excuus om een bos rozen te kopen in het warenhuis en niet bij de bloemist. Goedkope bloemen komen vaak uit Afrika omdat groothandelaars ze daar jaar in jaar uit kunnen oogsten. Ik schud de gedachte van me af in de hoop dat ze mijn onrustige geest niet nog meer voedt en haast mij naar het station. Met spijt laat ik de hoofdstad achter me. Weg anonimiteit.
Ik heb weinig zin om mijn moeder te zien omdat ze me mee zal nemen in haar verdriet terwijl ik ruim voldoende heb aan dat van mij. Een zelfzuchtige gedachte. Is dit de persoon die ik wil zijn? Of verschillen onze treurnissen minder van elkaar dan ik altijd heb gedacht?
Een uur later loop ik door de straten van het ingeslapen dorp Dunnersvelde waar ik woon. Ik passeer een bekende en forceer een glimlach. Dat kost me evenveel moeite als de herfstzon die hard haar best doet om door de opeengepakte wolken te breken.
‘Zei je niet drie uur?’
Woordkeuze en toonaard maken me duidelijk dat ze op me heeft zitten wachten. Ik presenteer haar de bos rozen. Een afleidingsmanoeuvre dat ook nu zijn doel niet mist. Terwijl ze het boeket zorgvuldig in twee vazen schikt, zegt ze dat het woensdag is. Ik knik verward. De meeste meubels in haar kleine flat zien er nog net zo uit als toen ik een kind was. Al een paar keer heeft ze me gevraagd wat ik met haar spullen ga doen wanneer ze er niet meer is. Meestal antwoord ik met een ontwijkende kwinkslag. Voor grof geld verkopen of verschepen naar een ontwikkelingsland. Ze moet er steeds weer om glimlachen. Een melancholisch gevoel voor humor is wat ons bindt. Intussen staan de rozen waar ze altijd staan. De ene helft in de bruine aarden vaas op de vensterbank en de andere in de blauwe van glas op de salontafel. De vazen verhuis ik later misschien wel mee.
Zoals afgesproken breng ik haar naar haar stamcafé op de markt. Het is er druk. Zoals ze me dat heeft geleerd en nog steeds opdraagt, groet ik de gasten uitbundig. De meesten ken ik maar oppervlakkig. Op de bazin na is er niemand met wie ik een band heb of voel. Even op de tanden bijten. Ik kijk door het raam naar het verlaten plein. De fontein is in winterslaap, de schaarse zitbanken stralen niets dan overbodigheid uit. De kleurrijke blaadjes die van het luttele aantal bomen zijn gevallen, slagen er niet in om de grijsheid van het plein te verdoezelen. Wat doe ik toch in dit afgelegen gat?
‘Je bent stil, scheelt er iets?’
‘Druk op het werk’, lieg ik.
Ik bestel een koffie en een biertje en probeer onderwerpen te bedenken opdat het gesprek niet zou stokken en ze niet verder zou polsen naar mijn gemoed. Moeder vindt stiltes eng. Verlatingsangst? Ik weet het niet. Sinds ze alleen is, bel of zie ik haar zo goed als elke dag. Wanneer mijn stem te lang uitblijft, panikeert ze als de passagier op een zinkend schip. Ze belt mij dan meerdere keren zelf op en spreekt paniekerige boodschappen in. Mayday, mayday!? In de auto laat ik de radio vaak het praten van mij overnemen. Dat brengt rust. Wat een lieve stem heeft die man toch, zegt ze dan. Mooi, die piano. Is dat Chopin? Op die momenten hou ik erg veel van haar.
Bazin Jeanine brengt de bestelling en komt bij ons zitten. Afleiding. De dames op leeftijd kennen elkaar al bijna 60 jaar. Hun gemeenschappelijke herinneringen zorgen voor een warme band die niet kapot te krijgen is. Ook uiterlijk hebben ze veel gemeen. Graag goed uitgedost, mooi opgemaakt en geurend naar amaryllis. Bloemen van hier.
Naar het schijnt heb ik mijn voornaam aan deze cafébazin te danken. Ik probeerde me al meer dan eens voor te stellen hoe dat destijds is gegaan.
Tijdens de zwangerschap had mijn moeder geen tijd om modieuze namen te bedenken. De kruidenierszaak slorpte al haar uren op. Zelfs op de vooravond van de bevalling stond ze nog schoon te maken, samen met Jeanine. Hun mannen streden om winst bij het biljarten en de kinderen lagen al lang in bed. Dat de radio hun enige gezelschap was, deerde hen niet. Toen de populaire zangeres Sylvie Vartan ‘Baby c’est vous’ zong, vielen de borstels stil. ‘Qui vient dans mes rêves? Qui vient me voir?…Oh baby c’est vous’ klonk het. De jonge vrouwen keken elkaar aan en wisten plots tegelijk hoe het kind zou heten. ‘s Anderendaags rond de middag kwam ik ter wereld. Mijn broer kreeg een zus. Een koningswens ging in vervulling.
Ik haal je boodschappen en pik je rond zes uur weer op, hoor ik mezelf zeggen. Ze knikt en praat gedreven verder met haar nieuwe tafelgenoten. Sinds ze slechtziend en hardhorig is, tatert ze nog meer. Het lijkt alsof haar woorden munitie zijn in haar strijd tegen het steeds sterker wordende gevoel van afzondering.
Buiten is het donker. Op zoek naar verkoeling laat ik mijn jas open hangen. Maar de wind snijdt. Waarom zei ze eigenlijk dat het woensdag is? Ik betrap haar zelden op een verstrooidheid van die aard. Haar geheugen is vaak beter dan dat van mij. Wat bedoelde ze toch?
Ik zoek het antwoord in de straten van mijn jeugd en loop naar het huis waar we vroeger woonden. De nachtwinkel die er nu is, blinkt uit in slordigheid. Ik kijk door het vieze raam. Het interieur staat in schril contrast met dat van de winkel die mijn moeder hier zo stijlvol runde. De tijd heeft alle sporen weggeveegd. Er rest niets dan de kille oppervlakkigheid van een zaak die hier niet lijkt thuis te horen. Een mislukt soort stedelijkheid. Het lukt me eerst niet om de schoonheid van mijn kindertijd te ontdekken in de chaos van dozen, plastic flessen en waterpijpen die de ruimte vullen. Tot ik achter in de zaak een schim ontwaar. Ik sluit mijn ogen en duw de deur open. De bel rinkelt verrassend schel. Als toen.
’t Is ik, roep ik. Gewoontegetrouw brengt Pekkie me kwispelend een prop papier die hij uit de vuilnisbak heeft gepikt. Ik aai zijn poedelkop en krab onder zijn kin. Hij springt tegen me aan, draait om zijn as en loopt me voor naar de woonkamer.
In het begin vormden wij een doorsnee gezin in dat grote huis (zonder tuintje weliswaar). Ma, pa, zoon, dochter en al snel een eerste huisdier. Na de oefening met de goudvis die we in een plastic tasje van de kermis hadden meegebracht en de hamster die op een avond voor altijd achter de kast verdween, was de tijd rijp voor een kanarie. Niet lang daarna volgde een rasechte poedel die eens volwassenen een bastaard bleek te zijn. Om het zwart van Pekkie en het geel van Jommeke te compenseren, huisde de vogel in een rode kooi. Een ode aan het Belgische stripverhaal waar mijn zes jaar oudere broer en ik beiden grote fan van waren. Het duurde een aantal jaargangen van het weekblad Robbedoes vooraleer ik besefte dat de fundamenten van ons gezin niet al te stevig waren. Met astma als smoes ging mijn vader apart slapen. Hij heeft een stofvrije kamer nodig, zeiden ze. Ze zochten hun ontspanning steeds vaker los van elkaar. Hij in de sport en zij in theater en in de gezelligheid van de stad. Terwijl ik netjes op het rechte pad van de jeugdigheid bleef, lekker dolde met vriendinnen, genoot van kattenkwaad en langzaam volwassen werd, schopte mijn broer wild om zich heen. De wereld is te waar om mooi te zijn, vond hij. Zijn rusteloze ziel maakte hem het leven onmogelijk. Op een dag begroef hij de strijdbijl en sloeg de hand aan zichzelf.
Mijn telefoon haalt me terug naar vandaag. ‘Met Remi’, zegt mijn vader. Hij wil weten hoe het met me gaat. ‘Bwa, ik heb nog betere tijden gekend. Ik kan niet praten nu. Ik sta in de winkel’, antwoord ik niet helemaal gelogen. De dag na de begrafenis van zijn zoon trok hij in bij de vriendin die hij enkele jaren voordien had leren kennen. 21 maart. Eerste ontmoeting met F. Mijn moeder had zijn agenda gezien. Doelbewust of toevallig. Wat maakt het uit. Het was het begin van een dubbel verhaal. De hemel voor hem, de hel voor haar. Ik dacht dat ik moest kiezen en gesterkt door woede en onmetelijk veel verdriet knipte ik de banden door. Toen ik ze weer wou aanhalen, was de lijm opgedroogd. Hij had voor het leven gekozen, besef ik nu. Een leven zonder ons.
Mijn moeder is nog aan een biertje bezig wanneer ik haar kom oppikken. Het ritueel herhaalt zich. Goedenavond iedereen. Nog een koffie dan maar.
‘Geen nieuws?, vraagt ze. ‘Niemand speciaals gezien?
Wat heb je nog gedaan? Is je man thuis?
Stop toch eens met al die vragen’, zeg ik kort.
Ik zie tranen en heb meteen spijt. Pas nadat ik haar veilig heb thuisgebracht, besef ik waarom ze eerder die middag zei dat het woensdag was. De dag voor de sterfdag van haar zoon zal voor haar altijd een woensdag zijn. Soms begrijp ik haar maar moeizaam, want zij is de moeder. Niet ik. Al die tijd beleeft ze die laatste dagen alsof het gisteren was. En mijn vader? Plots overvalt mij het onweerstaanbare verlangen naar vaderlijke raad. Ik fiets naar zijn huis. Een kind doet open.
‘Is het Sinterklaas?, roept een vrouwenstem.
Binnen klinkt luid geschater. Ik wil vluchten. Maar dat kan niet meer. Mijn vader omhelst me opgetogen. Zijn dochter eindelijk bij hem thuis. Feest. De woonkamer zit vol met kinderen en kleinkinderen. Van haar en dus ook van hem. Ze staren me aan. Ik voel me misselijk en wil kotsen op hun gezelligheid. Zet je, drink iets. De woorden tollen rond in mijn hoofd. Iemand duwt me op een stoel. Kom erbij. Het gaat niet. Ik wil dit niet. De kinderen hervatten hun gesprekken. Ik antwoord mechanisch op zijn vragen terwijl ik zelf de reporter had willen zijn. Een eeuwigheid gaat voorbij. Wanneer de zoon vertrekt, glip ik mee en snel naar huis.
Daar kruip ik diep onder de lakens. Ik wil slapen. Niet meer dromen. Niet meer huilen. Maar de onrust in mijn hoofd woelt zich een weg door mijn lijf. Ik besluit opnieuw de deur uit te gaan. De koude nacht in. Ik loop naar de spoorwegberm waarop mijn broer destijds klauterde op zoek naar verlossing. Ik passeer wekelijks langs die plek, maar hou er nooit halt. Toch is er altijd iets in mijn brein dat piept of kraakt wanneer ik er voorbij kom. Nu klim ik voor het eerst zelf naar boven. De korte, steile helling vraagt al mijn krachten. Ik klamp me vast aan het lange gras en adem zwaar. Boven ga ik gehurkt op de sporen zitten. Met bevende handen bescherm ik mijn hoofd dat op mijn knieën rust. De volle maan belicht me als was ik een acteur in een tragische monoloog. Iemand moet mij verteld hebben dat dat ook zijn houding was toen de trein hem midden in de middag met geweld van de wereld sleurde. Ik richt me op en zoek het publiek dat me onzichtbaar in leven houdt.