Niet van mij

Alicja Gescinska – De Gezichtslozen

Sommige boeken mag je niet op een e-reader lezen omdat je de pagina’s en de kaft moet kunnen strelen en dichtbij je hart houden. Ook letterlijk. De gezichtslozen van Alicja Gescinska is zo’n koesterboek. Omdat het verhalend aandacht schenkt aan heel kwetsbare mensen. Mannen, vrouwen en kinderen zonder vaderland, zonder paspoort, zonder rechten, die proberen een eigen leven te leiden. Ze overleven in vluchtelingenkampen die vaak al driekwart eeuw bestaan, verdwijnen in Europese straten of in woelige zeeën. Net als de kunstportretten die het hoofdpersonage maakt, probeert deze novelle mensen een gezicht te geven, hen uit de zinkgaten van het bestaan te halen door aandacht voor hen te vragen. Kunst is machteloos, luidt het op het eind. Toch heeft dit boek heel veel zin. Kijk niet weg, leer kinderen dat wat ze hebben niet vanzelfsprekend is, kijk mensen aan op straat of in de winkel zodat je erkent dat ze bestaan. Besef dat iedereen recht heeft op dat kleine e-kaartje of dat wijnrode boekje dat wij achteloos ‘paspoort’ noemen en dat zoveel deuren opent.

Falun Ellie Koos – Rouwdouwers

Dit schitterende debuut over keihard zijn en kwetsbaar breken uitgelezen op een grijze kille herfstdag in de warme stilte van mijn huis. Op het ene moment voel je de warmte op de buiken van de honden die snoezelen bij het knetterende haardvuur in een armoedig huis op het stille Spaanse platteland en wat later spettert de ellende in een Nederlands caravanpark van de pagina af. De roman van Falun Ellie Koos danst tussen het rauwe en het gevoelige en klit zich stevig aan je vast. Rouwdouwers opent je ogen (opnieuw): hoe een kindertijd (in armoede) doorwerkt in het hele leven. Verplichte lectuur!

KUNSTWERKEN IN ZABRISKIE | Peter Verhelst

Clem Schouwenaars – Beschreven Land 2022

32

Regen, en reeds denk ik aan
de horizon met schuine bomen
weer, de wolken, vreemde avonden:
roep van de kieviten, en roerloos staan

de reigers in het lis. Langs zomen
van verglaasde vaarten, stemmen komen

nader, op nevel drijvend, vergaan
en keren door een huivering van stilte.
Lampernisse. Als deze regen, voortaan.

uit: Schaduw der dwaling 1974)

Hugo Verstraeten – in de sporen van Clem Schouwenaars (29 juli 22)

Om naar een dorp te kijken. En hoe je dat doet.
Met afstand en inzicht van ogen. Met vogels
die inbreken in kooien.

Om naar een verte te kijken en hoe ze daar
in voorkomt. Stip zonder elders. Met verhalen
die dichtsneeuwen telkens iemand ze vertelt.

Elke afdruk vervangt haar en ordent het
landschap. Voor haar en na haar en hoe
ze zich uit het gezicht verminkt.

Met wit dat los raakt van sneeuw en zich neerlegt 
in woorden. Tot ook het landschap zwijgt, gras 
niets meer weet. Het dorp zeer langzame huizen,


verspreid.

Elisa Vanbelle – ook van Villette Fleurette

als de wind je blaast
naar de plaats waar je moet zijn,
leer je te blijven

Robie Van Outryve schilder/dichter, vader van Anne

de boog
van een schuit
aan zijn schaduw
gekluisterd

het klare klotsen
tegen een boeg
van doelloos
talmen

het wachten

dat voor anker
ligt

Aquarel – Bart Moeyaert   CC Kruispunt 29 01 22

Dit is een aquarel: een schilderij van waterverf
op dik karton. Ik wist niet wat ik wou toen ik
eraan begon en nu het af is heb ik er nog
het raden naar. Wat doet die vlek daar op dat schip,
wat doet die vrouw, waarom een zee, had ik dan
blauw in overschot, dat denk ik niet, ik denk
haast nooit als ik mijn vinger doop in mijn verdriet
of in het jouwe en ermee schrijf of teken, maar
ik moet niet doen alsof. Per slot van rekening
weet iedereen dat alles – alles – over liefde gaat.

Jenka Watteny

Ik hield je hand vast
telde je vingers
één voor één
het waren er tien

een duim is
geen vinger zei iemand
in een ver verleden

Ik lachte vreugdeloos
bij die vluchtige gedachte

er was al een hele tijd
niets meer
om vrolijk over te zijn

Je keek naar mij
met ogen
waar de glans al lang uit weg was
en vroeg
met die blik

waarom?

Paul van Ostaijen – De Kift: Hoogriet

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee 

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee
naar de zee

Astrid Haerens – Diksmuide

op het kruispunt van klei en zand
werd ik geboren
uit een gezin van littekens en wild vlees

geen vlakte zo vlak 
dat het niet droomt van een stad
van samengehokte huizen, een trotse tuin
om ‘s zomers naar de notelaar te reizen
geef me geen Costa Brava
slechts in de winter wil ik een zee

nu stap ik elke dag
over de hitte van dit stenen plein
waaronder scherven knarsen
dat de bodem van onze harten
zich niet zomaar laat bewerken

doorheen mijn ruggengraat stromen
de melodieën van arbeid en geld
ik zie op tegen de toren, de vuist die eist
het recht op geheimen en verstoven tijd

meer en meer alleen
zwerf ik over virtuele wegen
vecht ik tegen de bange cadans van mijn genen

aan de Ijzer trek ik mijn schoenen uit
strooi kiezels tussen het riet
over de open handen van koude soldaten

elke dag kijk ik uit het raam
noteer welke vogels en het weer
schrap in mijn mond nog een woord
waarin ik geen verkoeling meer vind

tot alles eindelijk stil
eindelijk alles stil

zie ik plots hoe de notelaar
een kerselaar geworden is