Hoop

‘Godverdomme, waar is die man mee bezig’, roept Erica ontzet. 
Haar felle stem doorbreekt bruusk de harmonie van de parkbegraafplaats die er intussen verlaten bij ligt. Al sinds vanochtend vroeg hangt er een grimmige lage mist die maar niet lijkt op te willen trekken. Jessica en Trees kijken hun oudere zus beduusd aan. 
‘Ons vader blijft verbazen’, zegt Trees stil.
De echtgenoten van de drie zussen weten zich geen houding te geven. Bert slaat zijn ogen neer.  ‘Peter was amper een jaar ouder dan ik en zie,  zijn leven is voorbij. Laten we ons wat gedeisd houden.’
Johan steekt een sigaret op en blaast een wolk van rook steil de lucht in. ‘Kom’, zegt hij hoestend, ‘laten we naar het restaurant gaan, ze zullen vast op ons wachten’.
‘Dat kan me niet schelen’, blaft Erica, ‘Ik ga naar huis, wat jullie er ook van denken’.  Vastberaden loopt ze in de richting van de uitgang, maar al na enkele stappen doet een harde windstoot haar wankelen. Johan holt naar haar toe, trekt haar tegen zich aan en wiegt haar zoals de wind dat met de kruinen van de bomen rondom hen doet. 
Plots schrikt een auto die gierend door de aanpalende straat raast iedereen op. 
‘We moeten echt wel gaan’, fluistert Jessica snotterend, ‘dat zijn we tante Claire verplicht.’ 
Als een verlate rouwstoet lopen de koppels de begraafplaats uit.
In het restaurant zit de hele familie Coolsaet aan keurig gedekte tafels te aperitieven. Kelners lopen ordelijk op en af op tonen van zachte muziek die het weinige gepraat overstemt.  Erica haalt diep adem en loodst haar zussen naar de enige tafel waar nog plaats is. Terwijl ze in het passeren elk om beurt meelevend een hand op de schouders van hun tante leggen, zien ze hun vader opzichtig wuiven, zijn hand hoog in de lucht als een biddende kolibri. Naast hem zit een kleine, tengere jongeman wiens kruin nauwelijks tot aan de mond van hun vader reikt. Zijn kleurrijke kostuum contrasteert fel met de donkere tinten die hem omringen. 
‘Zusjes, daar zijn jullie eindelijk!’ zegt hun vader alsof zijn dochters al lang op de hoogte zijn van zijn relatie met zijn jonge minnaar.
‘Dit is Jim’. 
‘Hi’, zegt de jongeman nietsvermoedend, ‘Nice to meet you all’. 
Er volgt een ijzingwekkende stilte. Elk getik van bestek tegen een bord of glas klinkt als het onheilspellende gerinkel van een onverwachte telefoon die je midden in de nacht de daver op het lijf jaagt. 
‘Ik houd dit niet uit’, denkt Trees, dit kan toch niet waar zijn?’
Ze kijkt door het raam en ziet in de struiken tegen de achtermuur van de binnentuin het knappe silhouet van haar moeder die pas vorig jaar door hun vader in de steek werd gelaten. Na een huwelijk van net geen dertig jaar.
Erica frommelt haar servet tot een prop, terwijl Jessica maar blijft roeren in de soep die bij de anderen al lang is afgeruimd. 
‘Scheelt er iets?’ vraagt hun vader bijna vrolijk. 
‘Wat zou er zijn?’ repliceert Bert die al een hele tijd op de juiste woorden zit te broeden, ‘We hebben net iemand van onze generatie begraven. Een jonge man die nog een hele tijd voor hem had, mocht die verdomd ongelukkige val niet zijn gebeurd.’
Jim voelt de snijdende spanning, maar snapt niets van wat zijn tafelgenoten zeggen. Wanhopig kijkt hij naar zijn vriend die hem zacht over de arm streelt. Jim voelt zich gesterkt, neemt de porseleinen koffiekan onhandig in zijn met ringen versierde linkerhand en vraagt: ‘More coffee, anyone?’ 
Net op dat moment tikt de  twaalfjarige kleindochter van tante Claire met een lepeltje tegen een glas. Alle hoofden draaien in haar richting. Het meisje klimt op een stoel en begint trefzeker te praten: ‘Lieve mensen allemaal. Mijn papa heeft mij gevraagd jullie vandaag iets heel belangrijks te zeggen. Soms gebeurt er iets dat je holderdebolder overhoop haalt. Iets waarvan je denkt dat je het nooit meer te boven komt. Ween dan maar. Dagen of wekenlang. Maar op een dag moet je je tranen drogen en je hoofd naar boven richten. Doorgaan met leven. En elkaar graag zien. Dat moet je doen. Beloven jullie me dat?’
Het is muisstil in de zaal. Tot iemand zacht in de handen klapt en de anderen meeneemt in een sereen maar krachtig applaus.